Beide uitgangen kunnen tegelijk gescheiden afrasteringen bedienen. Een
kortsluiting op de gereduceerde afrasteringsuitgang is nauwelijks van invloed
op de maximale uitgang, waarbij door een defect aan de maximale uitgang
de gereduceerde uitgang verder laat zakken. Bij aansluiting van twee afra-
steringen wordt alleen de gereduceerde afrasteringsuitgang op het plaatje
(LED 4-9 fig.5) weergegeven.
Aarding:
Een goede aarding van het raster is uiterst belangrijk om een storingsvrije
werking en optimale prestatie van de installatie te garanderen. Daarom moet
de aarding liefst op een vochtige en dichtbegroeide plaats worden aange-
bracht. Bij droge bodem en lange afrastering moet u een bijkomende aar-
dingskabel en (om de 50 m) een aardpen langs de afrastering aanbrengen.
Installatie met 230V/110V:
De netstekker van het apparaat in het stopcontact steken
VOORZICHTIG!
Het apparaat beschikt over een AUTO-ON-functie, zodat het appa-
raat na aansluiting op het net start.
3. Ingebruikname
Ingebruikname transformator:
Het apparaat start automatisch na verbinding met de stroomvoorziening. Na
1 seconde is een gelijkmatig tikken in het ritme van de impulsen hoorbaar;
het apparaat werkt.
Het apparaat geeft impulsen aan de afrastering af en de led-weergave gaat
branden.
Gaat de status-led niet branden, dan is de stroomvoorziening defect.
Controle van de aarding ( N200, N300 ) :
Op ca. 50 m afstand van de schrikdraadinstallatie wordt met een in de grond
geslagen metalen staaf tegen de schrikdraad (geen kunststof) kortsluiting
veroorzaakt. De schrikdraadinstallatie zou nu alleen nog maximaal 1 led
(vochtige bodem) of maximaal 2 leds (droge bodem) (fig. 5 LED 9 en 8) tot
branden brengen. In andere gevallen moet het aantal en/of de lengte van de
aardpalen worden verhoogd.
4. Beschrijving van de bediening
Spanning afrastering:
de 6 leds (LED4 - LED9) geven de uitgangsspanning van de afrastering in stappen van 1.000V weer. De weergave bouwt
vanaf links op.
12
Voor een goede bewaking moeten ten minste 3 leds (3.000V) gaan branden, anders is de spanning te laag.
Mogelijke oorzaken:
● Met afrastering: overwoekering van de afrastering, slechte isolatoren, kortsluiting via metalen palen of afrastering te lang.
● Zonder afrastering: Het apparaat is defect, zie service
5. Onderhoud
Denk eraan dat deze waarde afhankelijk van temperatuur en meetafwijkingen kan variëren.
Let op!
Bij gebruik van een zonnepaneel
Batterij- of accutest alleen voor het begin van de dag uitvoeren ( zonder stroomtoevoer door zonnepaneel -
paneel afdekken)
6. Demonteren, uit elkaar nemen, opslaan en transporteren
Demonteren, uit elkaar nemen
Vóór het begin van het demonteren:
● Apparaat uitschakelen.
● Alle energievoorzieningen van het apparaat loskoppelen.
● Accu's en/of batterijen verwijderen en milieuvriendelijk afvoeren.
Vervolgens componenten en onderdelen vakkundig reinigen en onder inachtname van de geldende ongevalspreventie- en
milieubeschermingsverordeningen uit elkaar nemen.
Opslaan, transporteren
U moet erop letten dat het apparaat in uitgeschakelde toestand wordt opgeslagen en getransporteerd.
AANWIJZING!
U moet erop letten dat accu's in geventileerde en droge ruimtes worden opgeslagen.
7. Storing en reparatie
WAARSCHUWING!
Reparaties mogen uitsluitend door gekwalificeerd personeel worden uitgevoerd.
Gebruik uitsluitend de reserveonderdelen die door de fabrikant zijn goedgekeurd.
Technische wijzigingen voorbehouden!
De CONTROL LED (LED1) brandt groen, als het apparaat storingsvrij is. Als de led rood brandt, is er een fout opgetreden.
Tabel 14
Fout
Led
niet alle leds van de spanningsweergave van het afraste-
Bewakingsspanning te laag
ring branden groen
N100_N200_N300
Oplossing
Stand Normaal instellen
13