Startvoorbereiding
1
2
4
5
Dit Carrera DIGITAL 132 voertuig is optimaal afgestemd op het Car-
rera railsysteem 1:24.
+
Optimale sleperstand:
1
2
Om goed en continu te rijden, de sleper licht open waaieren
overeenkomstig afb.
naar de rails toe buigen. Alleen het uiteinde
2
van de sleper mag contact met de rails hebben en kan bij slijtage
evt. een beetje worden afgeknipt. De rails en de sleper moeten af
en toe van stof en slijpsel worden bevrijd.
Tijdens het spelen kunnen kleine voertuigonderdelen zoals spoi-
lers of spiegels, die door hun zo waarheidsgetrouw mogelijke uit-
voering zo gevormd moeten worden, mogelijk losraken of breken.
Om dit te voorkomen, heeft u de mogelijkheid om ze te beschermen
door ze voor het spelen te verwijderen.
Wisselfunctie
1
2
4
5
Let er op, dat de leikop van het voertuig zich in de spoorsleuf
1
bevindt en de dubbele sleepplaten contact met de stroomaanslui-
tingrail bezitten. Plaats de voertuigen op de aansluitrail.
Bij spoorwisseling dient de knop op de handregelaar zo-
2
lang ingedrukt te blijven, tot het voertuig over de wissel is
gereden.
Lichtfunctie aan/uit
3 sec.
STOP
Op handregelaar geprogrammeerd voertuig moet zich minstens 3
seconden lang in stilstand op het parcours bevinden, voordat door
het indrukken van de wisseltoets het licht respectievelijk in- en uit-
geschakeld kan worden.
Opmerking:
geldt alleen voor modellen met voertuigverlichting
Codering/Programmering
Autonomous Car
3
2
1
6
7
2x
8
3
en
1
5
150
100
200
50
0
300
Plaats het te coderen voertuig bij ingeschakelde Control Unit op de
baan en druk 2 maal op toets „Code"
LED's op de Control Unit lichten op, afb.
schakelaar van de handregelaar, afb.
elkaar op. Wacht tot de middelste LED weer oplicht, afb.
op de drukschakelaar van de handregelaar en breng het voertuig op
de gewenste snelheid. Druk bij het bereiken van de snelheid op-
nieuw op de wisselschakelaar, afb.
De codering van de Autonomous Car is daarmee beëindigd.
Instructie: Bij deze wijze van codering mag zich altijd alleen het te
coderen voertuig op de baan bevinden. De Programmering van de
Autonomous Car blijft zo lang behouden, tot het voertuig opnieuw
wordt gecodeerd. De Autonomous Car wordt in verbinding met de
Position Tower altijd met adres 7 aangetoond.
Codering/Programmering
Pit Lane 30356
3
2
1
6
7
3x
8
3
5
150
100
200
50
0
300
(alleen in verbinding met Pitsstop Lane #30356)
Plaats het te coderen voertuig bij ingeschakelde Control Unit
op de baan en druk 3 maal op toets „Code"
De eerste drie LED's op de Control Unit lichten op, afb.
Druk nu op de wisselschakelaar van de handregelaar, afb.
LED's 2-5 lichten nu na elkaar op. Wacht tot de middelste LED op-
nieuw oplicht, afb.
gelaar en breng het voertuig op de gewenste snelheid. Druk bij het
bereiken van de snelheid opnieuw op de wisseltoets, afb.
codering van de Pace Car is daarmee beëindigd en het voertuig
rijdt in de Pitsstop Lane.
Instructie: Bij deze wijze van codering mag zich altijd alleen het
te coderen voertuig op de baan bevinden. De programmering van
de Pace Car blijft zo lang behouden, tot het voertuig opnieuw wordt
gecodeerd. De Pace Car wordt in verbinding met de Position Tower
altijd met adres 8 aangetoond.
Uitgebreide Pace Car-functie
Na uitvoering van de codering van de Pace Car rijdt dit voertuig tij-
dens de eerste rondes automatisch in de Pit Lane. Om de Pace Car
te starten drukt u eenmaal op toets „Pace Car"
1
2
4
4
5
4
SPEED
+
CLICK
250
5
8
, afb.
. De eerste beide
1
. Druk nu op de wissel-
2
; de LED's 3-5 lichten nu na
3
4
. Druk
.
5
Pace Car
1
2
4
3
5
6
7
4
SPEED
+
CLICK
250
8
, afb.
3
. Druk op de drukschakelaar van de handre-
4
5
4
. De LED's2 en
3 op de Control Unit lichten op en de Pace Car verlaat de Pit Lane.
De Pace Car rijdt nu zo lang, tot er opnieuw op toets „Pace Car"
wordt gedrukt. Daarbij dooft LED 2 uit en het voertuig rijdt binnen
de actuele ronde automatisch in de Pit Lane.
Indicatie van de positie voor
Autonomous en Pace Car
Position
Tower
3
2
30357
4
2
6
7
3
2
5
6
(alleen in verbinding met Position Tower #30357)
De positie van de Automomous Car (adres 7) en Pace Car (adres 8)
6
7
kunnen op de Position Tower worden aangetoond. Deze functie kan
op de Control Unit worden ingeschakeld. Houd bij uitgeschakelde
Control Unit de toets „BRAKE"
6
baan in en laat de toets „BRAKE" weer los. Door opnieuw op de
toets te drukken kan de functie worden omgeschakeld:
1 LED licht op = Geen indicatie
2 LED's lichten op = Indicatie op de Position Tower
Stel de gewenste functie in en bevestig uw keuze met de toets
„START/ENTER".
Instelling van de basissnelheid
van de voertuigen
1 – 10
1
3
2
1
5
8
4
3
De instelling van de basissnelheid kan individueel voor één en/of
meerdere voertuigen gebeuren. De in te stellen voertuigen moeten
5
6
zich daarbij op de baan bevinden. De instelling kan in 10 trappen
gebeuren, waarbij de 5 LED's door knipperen resp. continu oplich-
ten de verschillende trappen signaleren.
1 LED licht op = lage snelheid
1
5 LED's lichten op = hoge snelheid
2
Plaats de in te stellen voertuigen bij ingeschakelde Control Unit
op de baan en druk eenmaal op toets „SPEED"
aantal LED's licht op. Deze tonen de laatst gebruikte snelheidstrap
aan. Druk zo vaak op toets „SPEED"
1
.
snelheid is geselecteerd. Bevestig de selectie met toets „ENTER/
.
START"
3
.
2
; de
Een kort looplicht en het oplichten van de middelste LED bevesti-
gen, dat de instelling is beëindigd, afb.
. De
1
1
2
1
3
8
1
7
8
8
ingedrukt, afb.
, schakel de
2
1 – 10
2
3
4
5
6
6
2
1
7
8
5
. Een bepaald
5
tot de gewenste basis-
.
6
43