Het hoogtezekeringsapparaat moet altijd boven de gebruiker zijn
aangebracht (afb. 2.3) en er mag niet overheen worden geklommen
(afb. 3.4). Voor gebruik van het apparaat moet er een visuele en
functionele controle (afb. 2.4+2.5) worden uitgevoerd. Controleer
allereerst de eenheid, inclusief de volledige lengte van de intrekbare
veiligheidslijn, op beschadigingen (scheuren, vervormingen,
corrosie, etc.). Voer een visuele controle uit van de rolplaten,
wielen en assen op beschadiging, storing en leesbaarheid van de
markering om u ervan te verzekeren dat alle bewegende onderdelen
correct bewegen. Extreme temperaturen en de effecten van
chemicaliën plus roest, scheuren en tekenen van slijtage kunnen
de veiligheid van het product beïnvloeden. Als een controle
aanleiding geeft voor twijfel aan de veilige toestand van het
apparaat of er een val heeft plaatsgevonden, neem dit apparaat
dan onmiddellijk uit gebruik en voorkom verder gebruik totdat een
bekwaam persoon schriftelijk heeft bevestigd dat het apparaat
veilig kan worden gebruikt. Als reparatie of vervanging van
onderdelen noodzakelijk is, mag dit alleen worden uitgevoerd door
de fabrikant of een erkende reparateur (afb. 3.5). De levensduur
van een rol is afhankelijk van de mate en manier van gebruik en
onderhoud en kan meer dan 5 jaar bedragen. Voor langdurig
gebruik onder zware omstandigheden, zoals stof, zand en modder,
moeten de intervallen van de materiaalcontroles worden verkort;
ook de levensduur van het apparaat kan korter zijn.
Het systeem mag slechts door één persoon worden gebruikt. Het
product moet zodanig worden geplaatst dat de bewegingsvrijheid
van het systeem en de valweg niet worden belemmerd en het
product beschermd is tegen dwars- en knikbelasting. Werk zo dicht
mogelijk bij het verankeringspunt (niet meer dan 1,5 m verticaal
vanaf het verankeringspunt in beide richtingen langs de valzijde)
om Vverwondingen door een slingerval te voorkomen (afb. 2.6).
Wees uiterst voorzichtig bij het gebruik van dit product in
omgevingen
met
bijtende
chemicaliën,
bewegende
machineonderdelen, elektrische gevaren, scherpe randen en ruwe
oppervlakken. De lijn kan door vocht en vorst glad worden.
Apparaten moeten onder dergelijke omstandigheden met de
grootste zorg worden gebruikt.
Hoogtezekeringsapparaten mogen niet worden gebruikt voor de
beveiliging van mensen boven stortgoed of vergelijkbare stoffen
waarin u kunt wegzakken (afb. 3.6).
Voor het gebruik van hoogtezekeringsapparaten zijn uitsluitend
opvanggordels conform EN 361:2002, CSA Z259.10, ANSI/ASSE
Z359.1-2007 toegestaan (afb. 2.7) (andere gordels zijn niet
toegestaan, afb. 3.7). De toegestane nominale last van de te
beveiligen persoon bedraagt 140kg (afb. 2.8).
De vereiste binnenwerkse hoogte onder de voeten van de gebruiker
moet ten minste 2,1 m bedragen wanneer het verankeringspunt
zich boven de gebruiker bevindt en de uitrusting als
hoogtezekeringsapparaat wordt gebruikt. Als het rescue-oog van
de GORDON Rescue als verankeringspunt wordt gebruikt, moet er
43 43