Problemen oplossen en regelingen
De batterij opladen
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat zich geen open vuur en vonken in de
buurt van de batterij bevinden, de uit de batterij
ontsnappende gassen zijn uiterst ontplofbaar. Zorg voor
een goede ventilatie tijdens het laden van de batterij.
Een lege batterij of een batterij die te zwak is om de motor te
starten kan het gevolg zijn van een defect in het laadsysteem of
in een ander elektrisch onderdeel. Als u twijfelt aan de oorzaak
van het probleem neemt u contact op met uw verdeler. Als u de
batterij moet vervangen volgt u de aanwijzingen onder De
batterij en batterijkabels schoonmaken in de voorschriften voor
periodiek onderhoud.
Om de batterij op te laden volgt u de aanwijzingen van de
fabrikant van de batterijlader en neemt u alle waarschuwingen in
acht die u in de veiligheidsvoor-schriften van deze handleiding
vindt. Laad de batterij tot ze volledig is opgeladen. Laad niet op
met een vermogen van meer dan 10 ampère.
De rem bijregelen
Uw zitmaaier is niet uitgerust met een manueel regelbare rem.
Neem contact op met uw verdeler als uw rem niet naar
behoren werkt.
De positie van de
bestuurdersstoel aanpassen
De stoel kan vooruit of achteruit worden geschoven. Trek aan
de hendel (A, figuur 12), geef de stoel de gewenste plaats en
laat de hendel los om de stoel op die positie te vergrendelen.
Figure 12. De positie van de bestuurdersstoel aanpassen
A. Hendel om de positie van de bestuurdersstoel aan te passen
A
24
Bijregeling van het maaidek
Dieptemeterwielen (niet op alle modellen)
De dieptemeterwielen kunnen in twee standen worden gezet,
afhankelijk van de maaihoogte. Bij gebruik van een hogere
maaihoogte zet u de wielen in de lagere stand. Bij gebruik van
een lagere maaihoogte zet u de wielen in de hogere stand. Zorg
dat de wielen niet voortdurend met de grond in aanraking
komen tijdens het maaien. Om bij te regelen:
1. Verwijder de borgmoer (B, figuur 13), het dieptemeterwiel
(C), de sluitringen (D) en de borstbout (E). Stel het
dieptemeterwiel op de gewenste hoogte in.
2. Steek de borstbout (E) door de sluitringen (D), het
dieptemeterwiel (C) en de beugel van het dieptemeterwiel
(A). Zet vast met de borgmoer (B). Herhaal Stap 1 en 2 voor
alle dieptemeterwielen.
B
C
Figuur 13. Bijregelen van dieptemeterwiel met vaste beugel
A. Beugel van dieptemeterwiel
B. Borgmoer
C. Dieptemeterwiel
D. Sluitring
E. Borstbout
A
D
E